verhaal en gedichten 2017

Het onderstaande verhaal van oma mimi tijdens de herdenking 4 mei 2017 voorgelezen door de klein kinderen.

Twee keer lid van dezelfde speeltuin
Al in 1939, voordat de tweede wereldoorlog begon, werd mijn familie uit Limburg
verdreven. Lutterade bij Geleen, waar ik zo heerlijk woonde. Wij konden daar als Joden niet meer blijven wonen. Onze buren van het Jubileumplein, wat miste ik ze !
Mijn vader moest om politieke redenen Limburg verlaten. Mijn oudere broer Guus en mijn zus Roos woonden al in Amsterdam, dus daar gingen wij ook heen.
Ik was 9 jaar en begreep er niets van. Waarom was dit nodig?
Ik wilde niet weg maar het moest.
Er was woningnood in Amsterdam. Daarom moesten wij in een piepklein huisje in de Waverstraat wonen. Het was bitterkoud in februari.
De eerste dag reden wij met de auto van Limburg naar Eindhoven. Daar woonde familie. We deden er de hele dag over. Mijn vader zei: Ik rijd niet harder dan 40 kilometer. Dat was héél hard in die tijd.
Mijn moeder was er erg verdrietig over dat wij moesten verhuizen. Ik keek haar aan.
Wat zag zij er zielig uit. Ze was altijd zo’n sterke lieve moeder. Maar nu niet.
Na een nachtje bij de familie in Eindhoven reden we door naar Amsterdam.
Het was heel fijn om mijn broer en zus weer terug te zien.
Maar dat kleine huisje in de Waverstraat … daar schrok ik van.
’sMiddags, toen de verhuiswagen kwam en alles uitlaadde, kon je al bijna niet door het huis lopen van de meubels. Mijn vader troostte ons door te zeggen: als de oorlog uitbreekt, duurt het vast niet lang. Maar het duurde dus wel lang. Met grote gevolgen. Ik ging naar de Meerhuizenschool en daar plaagden de kinderen mij, omdat ik een zangerig Limburgs accent had. Dat heeft niet zo lang geduurd. Ik oefende steeds om mijn Limburgse accent af te leren. Ik kreeg hier snel weer vriendinnetjes. En het werd heel leuk. Ja, ik mocht lid worden van de speeltuin in de Gaaspstraat. Dat was heerlijk. Iedere dag na schooltijd speelden wij daar. Mali, Shelly, Jackie, Chella en nog veel meer Joodse kinderen. Chella is het enige vriendinnetje dat niet vermoord werd.
Ik heb haar vorig jaar bezocht in Beth Juliana, een bejaardentehuis in Israël.
Mijn vader die altijd politiek bezig was, volgde de omstandigheden op de voet. Aan de overkant van de speeltuin naast de kerk, werd het blokhoofd gevestigd. Er kwam een schuilkelder bij de speeltuin, waar nu het Kindermonument staat. Wij woonden in een benedenhuis. Iedere nacht kwamen er vliegtuigen over. Als dan het luchtalarm ging, kwamen de buren naar beneden. Plotseling een enorme klap!
Iedereen wilde naar buiten. Niemand kon er uit. Er was naast de kerk een bom
gevallen. Grote schrik. De lucht was helemaal grijs van brand en rook.
En ja hoor 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. En toen begon de
ellende pas echt. Met militaire auto’s kwamen ze ons land binnen. Er werd veel over gesproken en het was heel akelig. Maar wij kinderen speelden gewoon door, alsof er niets aan de hand was. We speelden nog steeds in de speeltuin. Als de trams uit de garage kwamen, sprongen we achterop. We haalden veel kattenkwaad uit. De schuilkelder was ónze plek.
In 1942 moesten alle Joodse kinderen van de Meerhuizenschool af. Eerst ging
juffrouw Mock. Onze juf. We hebben haar nooit meer gezien. Toen moesten wij zelf ook van school en gingen naar de Vondelschool, een school waar alleen Joodse kinderen op mochten. De speeltuin konden wij niet meer in. Het werd een markt waar alleen Joden mochten komen: De Jodenmarkt. Van mijn ouders mocht ik nooit meer naar die markt.
De Duitsers begonnen toen al joodse families weg te halen. Ze zeiden dat de Joden in
Duitsland moesten gaan werken. Maar mijn vader zei dat dat een leugen was.
Mijn ouders waren bang dat alle joden die op die markt kwamen, opgepakt zouden worden. Weg speeltuin, weg school, wij bleven maar ‘veilig’ thuis. Dat dachten wij toen.
Joodse mensen werden uit hun huizen gehaald. Ook mijn vriendinnetjes.
Verhuiswagens in de straat. De huizen van de opgepakte Joden werden leeggehaald door Puls. Zo heette de verhuizer. De huizen werden ‘gepulst’. Dat noemden wij zo.
Alle spullen van de opgepakte Joden werden op schepen geladen en naar Duitsland gebracht.
Mijn vader zei dat hij zijn gezin niet door de Duitsers wilde laten oppakken. Dus wij gingen onderduiken. Eerst in Amsterdam, en later in in Berkel Rodenrijs bij
Rotterdam.
Mijn onderduik-ouders, tante Bets en oom Wim, hebben ons leven gered.
Mijn vader heeft het einde van de oorlog net niet gehaald. Hij was ernstig ziek, en stierf twee weken voor de bevrijding.
Mijn broer kwam niet meer terug uit Auschwitz. Hij werd vermoord.
Mijn zus Roos kwam ziek uit de oorlog terug en is slechts 47 jaar geworden.
Mijn moeder is 92 geworden. En ik mag dit alles nog schrijven op mijn 85e jaar.
Ik ben nu wéér lid van dezelfde speeltuin geworden.
Iedere 14 dagen komen wij met onze schrijversgroep bijeen in de gymzaal van
dezelfde speeltuin. Wij schrijven daar onze herinneringen.

Mimi van Gessel-van Dam, Amsterdam 30 april 2014.